De achtergrond van de zaak
Een consument kocht een horloge op de onlinemarktplaats www.olx.bg op grond van een overeenkomst op afstand. Omdat hij van mening was dat het horloge niet voldeed aan de beschrijving in de advertentie op de website, diende hij een klacht in bij de Commissie voor consumentenbescherming in Bulgarije (“CPC”), nadat de leverancier had geweigerd het artikel terug te nemen in ruil voor terugbetaling van het betaalde bedrag.
Na onderzoek stelde de SCB vast dat een mevrouw Kamenova, die handelde onder het profiel “eveto-ZZ”, het horloge had verkocht. Volgens de beheerder van de onlinemarktplaats had de persoon die dat profiel gebruikte in totaal acht verkoopadvertenties voor verschillende producten op die website gepubliceerd.
Bij beslissing van 27 februari 2015 heeft het GOG vastgesteld dat Kamenova een administratieve inbreuk had gepleegd en haar verschillende geldboeten opgelegd, omdat zij had nagelaten om in elk van de advertenties de informatie te vermelden die is vereist volgens de bepalingen van de Bulgaarse wet tot uitvoering van artikel 6, lid 1, van Richtlijn ConsumentenrechtenRichtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, met inbegrip van het recht van de consument om de overeenkomst op afstand te herroepen.
Kamenova heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Rayonen sad Varna (arrondissementsrechtbank, Varna, Bulgarije), die dit besluit nietig heeft verklaard op grond dat Kamenova geen “handelaar” was in de zin van Richtlijn Oneerlijke HandelspraktijkenRichtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en Richtlijn ConsumentenrechtenRichtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten.
Het CPC heeft tegen dat arrest hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Administrativen sad - Varna (administratieve rechtbank, Varna, Bulgarije), die de zaak naar het Hof van Justitie heeft verwezen voor een prejudiciële beslissing over de vraag of een natuurlijke persoon die goederen verkoopt via een online marktplaats en die in totaal acht advertenties tegelijkertijd heeft gepubliceerd voor de verkoop van verschillende artikelen via die marktplaats, een “handelaar” is in de zin van voornoemde richtlijnen.
Het oordeel
Allereerst merkt het Hof op dat het begrip “handelaar” vrijwel identiek is gedefinieerd in artikel 2, onder b), van Richtlijn Oneerlijke HandelspraktijkenRichtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en artikel 2, lid 2, van Richtlijn ConsumentenrechtenRichtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten. Aangezien beide richtlijnen zijn gebaseerd op artikel 114 VWEUVerdrag betreffende de werking van de Europese Unie en dezelfde doelstellingen nastreven, oordeelt het Hof dat het begrip “handelaar”, zoals gedefinieerd in deze richtlijnen, uniform moet worden uitgelegd (punten 24-29).
Wat de betekenis en de reikwijdte van het begrip “handelaar” betreft, merkt het Hof op dat beide richtlijnen vereisen dat de betrokkene handelt “voor doeleinden die betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit” of in naam van of voor rekening van een handelaar. Onder verwijzing naar zijn arresten in de zaken Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs (C-59/12) en Karel de Grote (C-147/16) herinnert het Hof eraan dat het begrip “handelaar” in die context moet worden uitgelegd “in verhouding tot het correlatieve, maar tegengestelde begrip „consument”, dat verwijst naar elke niet bedrijfs‑ of beroepsmatig handelende particulier” (punt 33) en “een functioneel begrip waarvoor moet worden nagegaan of de contractuele verhouding of de handelspraktijk deel uitmaakt van de activiteiten die een persoon beroepsmatig verricht” (punt 35).
Met betrekking tot de vraag of een particulier zoals verweerster in het hoofdgeding onder het begrip “handelaar” valt, oordeelt het Hof dat dit een “benadering per geval” vereist en door de verwijzende rechter moet worden onderzocht op basis van alle feiten waarover hij beschikt. Omstandigheden die relevant zijn voor dit onderzoek zijn met name “of de verkoop op het onlineplatform op georganiseerde wijze plaatsvindt, of deze verkoop een winstoogmerk heeft, of de verkoper met betrekking tot de aangeboden goederen beschikt over informatie en technische vaardigheden waarover de consument niet noodzakelijk beschikt, waardoor hij zich in een gunstigere positie bevindt dan de particulier, of de verkoper een rechtsvorm heeft aangenomen die het hem mogelijk maakt handelsdaden te stellen alsook in welke mate de onlineverkoop verband houdt met de commerciële en beroepsmatige activiteit van de verkoper, of de verkoper btw-plichtig is, of de verkoper die optreedt namens of voor rekening van een bepaalde handelaar of via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, een vergoeding of deel van de winst heeft ontvangen, of de verkoper nieuwe of tweedehandsgoederen koopt om die te verkopen, waardoor deze activiteit met een zekere regelmaat, frequentie en/of gelijktijdig met zijn commerciële of beroepsactiviteit plaatsvindt, of de te koop aangeboden producten allemaal van hetzelfde type zijn of dezelfde waarde hebben, in het bijzonder of het aanbod is geconcentreerd op een beperkt aantal producten” (punt 38).
Het Hof benadrukt echter dat deze criteria noch uitputtend noch exclusief zijn en dat “Het enkele feit dat een verkoop een winstoogmerk heeft of dat een persoon tegelijkertijd op een onlineplatform een aantal advertenties plaatst waarin nieuwe of tweedehandsgoederen te koop worden aangeboden, is bijgevolg op zichzelf niet voldoende om die persoon als „handelaar” (...) aan te merken” (punt 40).
Met betrekking tot de vraag of de activiteit van verweerder in het hoofdgeding een “handelspraktijk” is in de zin van Richtlijn Oneerlijke HandelspraktijkenRichtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt, oordeelt het Hof dat dit vereist “een praktijk die uitgaat van een „handelaar”” (punt 43) en dat de betrokken activiteit “een handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie vormt die „rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten” (punt 42).
Aangezien de door de verwijzende rechter opgesomde omstandigheden onvoldoende zijn om verweerder als “handelaar” aan te merken, volgt daaruit dat deze evenmin toereikend zijn om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde activiteit van verweerder als een “handelspraktijk” aan te merken.
Op basis hiervan concludeert het Hof “dat een natuurlijke persoon, (...) die op een website tegelijkertijd een aantal advertenties plaatst waarin nieuwe en tweedehandsgoederen te koop worden aangeboden, slechts als „handelaar” kan worden gekwalificeerd, en dat een dergelijke activiteit slechts als „handelspraktijk” kan worden aangemerkt, indien die persoon handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts‑ of beroepsactiviteit, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden geverifieerd in het licht van alle relevante omstandigheden van het geval” (punt 45).