Beoordeling of de exploitant van een platform voor het delen van video's of bestanden zelf een mededeling aan het publiek doet

C‑682/18

Frank Peterson v Google and YouTube & Elsevier v Cyando

Auteursrecht: Mededeling aan het publiek

22 Jun 2021

Zaak C-682/18 (Frank Peterson tegen oogle en YouTube)

Peterson had een exclusieve licentie voor de distributie van opnames en uitvoeringen van Sarah Brightman. Toen hij ontdekte dat werken van een album van Sarah Brightman toegankelijk waren via YouTube, spande Peterson bij het Landgericht Hamburg (regionale rechtbank, Hamburg, Duitsland) een rechtszaak aan tegen YouTube en haar aandeelhouder Google wegens inbreuk op het auteursrecht. Het Landgericht Hamburg wees de vordering toe met betrekking tot drie (muziek)werken.

In hoger beroep stelde het Oberlandesgericht Hamburg dat YouTube niet aansprakelijk was voor de auteursrechtinbreuken, omdat het geen actieve rol speelde bij het creëren of plaatsen van de content in kwestie op het platform en bovendien die content van derden niet als de zijne overnam. Niettemin achtte het hof in hoger beroep YouTube aansprakelijk als “stoorzender” (Störerin), aangezien zij haar verplichtingen niet was nagekomen door de litigieuze content niet onmiddellijk te verwijderen of te blokkeren. In het daaropvolgende hoger beroep merkte het Bundesgerichtshof (federale rechtbank, Duitsland) in de eerste plaats op dat het welslagen van het beroep van Peterson afhangt van de vraag of het gedrag van YouTube een mededeling aan het publiek is in de zin van artikel 3, lid 1, AuteursrechtrichtlijnRichtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij. Het Bundesgerichtshof vroeg zich af of YouTube bij de vermeende inbreuken een onmisbare rol speelde die op zichzelf als een mededeling aan het publiek kon worden gekwalificeerd.

Indien het gedrag van YouTube niet kan worden gekwalificeerd als een mededeling aan het publiek, moet in de tweede plaats worden nagegaan of de activiteit van de exploitant van een video-sharingplatform binnen de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, van de Richtlijn Inzake Elektronische HandelRichtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt. valt, zodat die exploitant in aanmerking komt voor een vrijstelling van aansprakelijkheid met betrekking tot de op zijn platform opgeslagen informatie. Ten slotte rijst de vraag of, indien de litigieuze gedraging van YouTube binnen de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, van de Richtlijn Inzake Elektronische HandelRichtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt. valt, deze gedraging verenigbaar is met artikel 8, lid 3, van de AuteursrechtrichtlijnRichtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, volgens hetwelk de rechthebbende naar nationaal recht niet in een positie mag verkeren waarin hij de rechten van derden kan doen gelden, de rechthebbende geen verbodsactie kan instellen tegen de exploitant van een video-sharingplatform waarvan de diensten door een derde zijn gebruikt om inbreuk te maken op het auteursrecht of naburige rechten, tenzij de exploitant, na in kennis te zijn gesteld van een duidelijke inbreuk op een dergelijk recht, niet prompt heeft gehandeld om de betrokken inhoud te verwijderen of de toegang ertoe te blokkeren en ervoor te zorgen dat dergelijke inbreuken niet meer voorkomen.

De zaak in kwestie zaak C-683/18 (Elsevier tegen Cyando)

Cyando exploiteert een platform voor het hosten en delen van bestanden. Het uploaden van een bestand door een gebruiker gebeurt automatisch zonder dat Cyando dit ziet en/of controleert. Telkens wanneer een bestand wordt geüpload, creëert Cyando automatisch een downloadlink waarmee rechtstreeks toegang kan worden verkregen tot het betreffende bestand.

Uitgever Elsevier ontdekte verschillende auteursrechtinbreuken die werden gepleegd via het bestandsuitwisselingsplatform Cyando en spande een rechtszaak aan tegen Cyando bij het Landgericht München (Regionale Rechtbank I, München, Duitsland). Elsevier vorderde een verbodsactie, primair als verantwoordelijke voor de auteursrechtinbreuken, subsidiair als deelnemer aan die inbreuken en, meer subsidiair, als 'bemoeial' (Störerin) met betrekking tot de inbreuken in de hoofdzaak. Het Landgericht heeft Cyando als deelnemer aan de inbreuken een verbodsbevel opgelegd om drie inbreuken te staken.

Het Oberlandesgericht München (Duitsland) wijzigde het vonnis in eerste aanleg. Het hof van beroep oordeelde onder meer dat Elsevier geen vordering kon instellen tegen Cyando als de partij die inbreuk maakte op de betrokken auteursrechten. De bijdrage van Cyando was beperkt tot het verschaffen van de technische middelen waarmee de litigieuze werken aan het publiek ter beschikking konden worden gesteld. Als “interfererende partij” diende Cyando ervoor te zorgen dat de inbreuken op het auteursrecht op de drie werken werden beëindigd. Bovendien hoefde Cyando als “inmenger” geen schadevergoeding te betalen.

In hoger beroep heeft het Bundesgerichtshof nagenoeg dezelfde prejudiciële vragen gesteld als in zaak C-682-18, en bij besluit van de president van het Hof zijn de zaken C-682/18 en C-683/18 gevoegd voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en het arrest.

Het oordeel

Het Hof oordeelt dat de onmisbaarheid van de rol van de exploitant van een platform voor het uitwisselen van video's of van een platform voor het hosten en uitwisselen van bestanden niet het enige criterium is dat in het kader van de te verrichten individuele beoordeling in aanmerking moet worden genomen. Met name moet het criterium worden toegepast dat de tussenkomst van een dergelijke marktdeelnemer opzettelijk is. Gelet op zowel het belang van de rol die een dergelijke interventie van de exploitant van een platform speelt voor de door de gebruiker van dat platform verrichte communicatie als de opzettelijke aard van die interventie, moet worden beoordeeld of zij, gelet op de specifieke context ervan, als een communicatiehandeling moet worden aangemerkt.

In dit verband stelt het Hof van Justitie dat “de tussenkomst die wordt verricht met volledige kennis van de gevolgen daarvan, met het doel het publiek toegang te verlenen tot beschermde werken, ertoe kan leiden dat die tussenkomst als een ‘mededelingshandeling’ wordt gekwalificeerd. Er moet rekening worden gehouden met alle factoren die de betrokken situatie kenmerken en waaruit direct of indirect kan worden afgeleid of zijn tussenkomst in de illegale mededeling van die inhoud al dan niet opzettelijk was. Relevante factoren zijn onder meer de omstandigheid dat een dergelijke exploitant, ondanks het feit dat hij weet of in algemene zin zou moeten weten dat gebruikers van zijn platform beschermde inhoud via zijn platform illegaal aan het publiek beschikbaar stellen, nalaat de passende technologische maatregelen te nemen die van een redelijk zorgvuldige exploitant in zijn situatie mogen worden verwacht om inbreuken op het auteursrecht op dat platform geloofwaardig en doeltreffend tegen te gaan, en dat de exploitant deelneemt aan de selectie van beschermde inhoud die illegaal aan het publiek wordt meegedeeld, dat hij op zijn platform instrumenten aanbiedt die specifiek bestemd zijn voor het illegaal delen van dergelijke inhoud, of dat hij dit delen bewust bevordert, hetgeen kan blijken uit het feit dat de exploitant een financieel model heeft aangenomen dat gebruikers van zijn platform aanmoedigt om beschermde inhoud illegaal via dat platform aan het publiek mee te delen.

Met betrekking tot de tweede en de derde vraag oordeelt het Hof bovendien dat de activiteit van de exploitant van een platform voor het uitwisselen van video's, zoals YouTube, of een platform voor het hosten en uitwisselen van bestanden, zoals Cyando, binnen de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, van de Richtlijn Inzake Elektronische HandelRichtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt. valt, mits deze exploitant geen actieve rol speelt die hem kennis van of controle over de op zijn platform geüploade inhoud geeft. Omstandigheden zoals het feit dat de exploitant van een platform voor het uitwisselen van online-inhoud de naar dat platform geüploade inhoud automatisch indexeert, dat het platform over een zoekfunctie beschikt en dat het video's aanbeveelt, volstaan niet om te concluderen dat de exploitant “specifieke” kennis heeft van illegale activiteiten die op dat platform plaatsvinden of van illegale informatie die op dat platform is opgeslagen.

De vierde vraag, die in elk van beide zaken wordt gesteld, is of artikel 8, lid 3, van de AuteursrechtrichtlijnRichtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de rechthebbende geen rechterlijk bevel kan verkrijgen tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op de rechten van die rechthebbende, tenzij die tussenpersoon vooraf van die inbreuk in kennis is gesteld en die inbreuk wordt herhaald. Het Hof oordeelt dat een dergelijke voorwaarde, die in het Duitse recht is neergelegd, specifiek beoogt rekening te houden met de logica van artikel 14, lid 1, van de Richtlijn Inzake Elektronische HandelRichtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt. en het verbod van artikel 15, lid 1, van deze richtlijn om aan een dergelijke dienstverlener een algemene verplichting op te leggen om toezicht te houden op de informatie die hij opslaat of om actief op zoek te gaan naar feiten of omstandigheden die wijzen op een onwettige activiteit. Zo merkt het Hof op dat de lidstaten krachtens artikel 8, lid 3, van de AuteursrechtrichtlijnRichtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, weliswaar verplicht zijn om de onder deze richtlijn vallende rechthebbenden een rechtsmiddel te waarborgen tegen dienstverleners wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk te maken op deze rechten, De lidstaten kunnen evenwel voorzien in een procedure die voorafgaat aan de uitoefening van dit rechtsmiddel, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de betrokken dienstverlener overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de Richtlijn Inzake Elektronische HandelRichtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt. niet aansprakelijk is voor de betrokken inbreuk. Het Hof oordeelt dat een voorwaarde zoals die welke in het hoofdgeding in het nationale recht is neergelegd, verenigbaar is met artikel 15, lid 1, van de Richtlijn Inzake Elektronische HandelRichtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt. en dat zij niet onverenigbaar is met het evenwicht tussen de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten (artikel 17, lid 2, van het HandvestHandvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01)) en het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, dat voor internetgebruikers is gewaarborgd (artikel 11 van het HandvestHandvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01)).

Neem contact met ons op.

info@acr.amsterdam